| |
 |
 |

|
 |
reglement volgens NAC
Reglement Rodeo Klasse Noordelijke Autocross Club Seizoen 2009
Technische regels
1.Standaard carrosserie tot maximaal 6 cilinders, 4 kleppen per cilinder en maximaal 1800 kg,
geen busjes en pick-ups. Open carrosserie is niet toegestaan.
2.Motor en versnellingsbak zijn vrij.
3.Behalve de rolkooi (Bijlage 1) ter bescherming van de rijder en versterking van stuurstangen
is geen enkele versteviging toegestaan.
4.De wedstrijdwagen moet zijn voorzien van een rolkooi van deugdelijk materiaal en een 4mm
stalen dak boven de bestuurder.(zie bijlage 1).
5.De rolkooi moet met montageplaten van 100x100x4mm (100cm2) met minimaal 2 stalen
M10 bouten met een contraplaat met een formaat van 50x50x4mm per bout aan het
chassis/carrosserie worden bevestigd, cq gelast worden (zie bijlage 1).
6.Wedstrijdwagens moeten voorzien zijn van een rolkooi van min. 38 x 2.5 mm, 40 x 2.0 mm
of 42x3 mm (42x3 mm wordt aanbevolen, zeker voor 2010) ronde stalen buis. Zie annex.j.
No:253-4, 253-7 en 253-9A samengevoegd uit het KNAF Autosport boek. Men dient, de
onderzijde van de buizen d.m.v. dikke stalen platen aan de carrosserie vast te bouten of te
lassen. Boven bij het dak 3 langsbuizen en 2 dwarsbuizen, alsmede een schuine buis van
linksboven naar rechtsonder.
(koker-, U-profiel, gegalvaniseerde buis of aluminium kooiconstructies worden niet
toegestaan).
Tevens dient er een kruis d.m.v. buizen in de rolkooi achter de bestuurdersstoel te worden
geplaatst.
7.De rolkooi dient verstevigd te worden door verstevigingdriehoeken (zie bijlage 1).
8.Aan de bestuurderszijde zijn minimaal twee langsbuizen verplicht met minimaal 3
dwarsverbindingbuizen.(zie bijlage 1).
9.Aan de passagierszijde is dit één buis om inrijden van omzet tegen te gaan.
10. Eveneens is een buis op dashboardhoogte verplicht, en één buis vanaf deze
(dashboard)buis haaks naar boven is ook verplicht (zie bijlage 1).
11. Van de rolkooi naar de veerpoten (tot maximaal aan de schokbrekers toe) mogen twee
buisjes van maximaal 42mm gelast worden.
12. Alle constructies ter beveiliging en afscherming dienen van ronde buis en binnen de
rolkooi te worden vervaardigd.
13. Van zelf sprekend dient het geheel goed gelast en geschoord te worden.
14. Dakramen en schuifkanteldaken dienen verwijderd te worden en het ontstane gat moet
worden dicht gemaakt.
15. De wedstrijdwagen mag niet doorgelast zijn. Als je schade hebt, mag je wel bepaalde
delen van de wedstrijdwagen er weer aanlassen ter bevestiging maar niet om te
verstevigen, dus geen strippen hierbij gebruiken.(Dit mag dus ook niet bij het maken van
een nieuwe wedstrijdwagen).
16. De wedstrijdwagen moet voorzien zijn van deugdelijke remmen met de voorgeschreven
remvertraging en een goed werken stuurinrichting. Dit moet sowieso s’morgens bij
aanvang van de keuring zo zijn, gedurende de wedstrijd moet dit ook geprobeerd worden
na te streven.
17. Het meevoeren van losse delen als ballast tijdens training of wedstrijd is niet
toegestaan.
18. Er mogen geen andere carrosserie delen van 1 type auto in een ander type auto worden
aangebracht. Met uitsluiting van motor en versnellingsbak.
19. De voorbumper moet verwijderd zijn en ter vervanging van de voorbumper moet er een
duimspijp (34 mm doorsnede) bevestigd worden (zie bijlage 3). Deze mag gebout of
gelast worden aan strip in de chassisbalken of op de originele bumpersteunen. Deze buis
moet er tijdens de wedstrijd iedere keer weer voor worden geplaatst. Wedstrijdwagens die
standaard vanaf de fabriek geleverd worden met gelaste bumperbalken, daar hoeven deze
bumperbalken niet verwijderd te worden. Wel moet er een buis voor worden geplaatst.
20. De deur aan bestuurderszijde moet vast gelast worden (minimaal 10 cm vastlassen), zijruit
moet als uitgang fungeren. De andere deuren/kleppen mogen met 4 lassen van max. 75
mm vast gelast worden. Achterkleppen moeten met 4 bouten van maximaal M12 te
worden vastgezet.
21. De bestuurderszijde dient te zijn voorzien van grof gaas of betonmat echter zodanig dat
ledematen nimmer buiten de wedstrijdwagen kunnen treden. Een zg. savetynet is ook
toegestaan. Daarnaast dient dit van buitenaf geopend te kunnen worden indien deurportier
vastgezet / vastgelast is. Aangeraden wordt een gordelsluiting hiervoor te gebruiken.
22. De bestuurderszijde van het voorraam dient te zijn voorzien van een betonmat minimale
dikte ijzer: 4 mm en max. mazenmaat 15cm x 15 cm.
23. Aan de voor- en achterzijde van de auto moet een stevige ketting of sleeptros deugdelijk
bevestigd worden waarmee de auto gesleept kan worden.
24. Originele tank, reservewiel en trekhaak dienen geheel te zijn verwijderd.
25. Het sperren is alleen toegestaan bij achterwiel aangedreven auto s.
26. Motorsteunen mogen van staal.
27. Motorkap mag niet verstevigd zijn en met twee bouten van max. M12 vastgemaakt worden
(uitsluitend ter vergrendeling en niet ter versteviging).
28. De achterkant van de motorkap dient onder 2 diagonaal geplaatste strippen of driehoeken
geschoven te worden. Deze strippen of driehoeken dienen maximaal van staal 40x4mm te
zijn. (zie bijlage 4)
29. Uitslag achteras mag begrensd worden met een ketting.
30. Vierwiel aandrijving is niet toegestaan.
31. Aanschaf en gebruik van een transponder(merk; AMB type; MX) is verplicht.
32. Montageplek transponder is rechts naast de coureur op de plaats van de oorspronkelijke
bijrijderpositie en vrij naar beneden gericht. (dus zonder tussenkomst van ijzeren delen
tussen transponder en baan) Montage van de transponder zo laag mogelijk, echter niet
lager dan de bodemplaat om onnodige beschadiging / verlies te voorkomen.
33. Er mag ter bescherming van de distrubutieriem geen plaat of kap geplaatst worden van
staal.
34. Verplaatsing van gelijkwaardige ontstekingspoot op de motor toegestaan.
35. Ter bescherming van de motor tegen kluiten mag je tussen de koplampen een stukje
degelijk kippengaas bevestigen met zelfborende parkers of met t-ribs.(geen betongaas
dus). Dus geen doeken/lappen meer.
36. GOED WERKENDE DEMPER VERPLICHT, MAX. 100 DECIBEL BIJ 4000 TOEREN,
GEMETEN 1 METER HAAKS VAN OPENING, BIJ OVERSCHRIJDING VOLGT
UITSLUITING.
37. Mede wordt aanbevolen om luikjes te maken in het dak zodat de keurder ook kan zien dat
de kooi aan de bovenkant is vast gelast.
38. In het geval dat het dak verwijderd is geweest ivm plaatsing van de rolkooi, dient dit weer
deugdelijk te worden vastgezet.( zie bijlage 5)
39. Verder dient de carrosserie van een dus danige constructie te zijn, dat de rijder ook bij
ieder contact beschermd is.
40. Iedere wedstrijdwagen moet voorzien zijn van een degelijke (kuip) stoel welke uit een deel
bestaat. Dus geen stoel met deelbare rugleuning. Degelijke bevestiging, d.m.v. van een
horizontale dwarsbuis in de vorm van de achterzijde van de stoel en een steun aan de
hoofdsteun zijn een vereiste.
41. Verplaatsing van radiateur is toegestaan, als deze in de wedstrijdwagen word geplaatst
dient deze goed te worden afgeschermd. Mits achter de coureur geplaatst, stevig
bevestigd en veilig afgeschermd door een 1mm metalen plaat of ander degelijk materiaal.
(zie bijlage 6) In geval van lekkage mag in geen geval water bij de coureur kunnen komen.
Als de radiateur naar achter is verplaatst dienen er metalen waterleidingen door het
rijdercompartiment te lopen. Deze moeten een minimale wanddikte hebben van 1mm en
over de complete lengte afgeschermd worden door isolatie materiaal. Slangkoppelingen
tussen radiateur, waterbuizen en motor mogen zich niet in het rijdercompartiment
bevinden. Wel achter de radiateur afscherming en in het motorcompartiment. (zie bijlage
6) Breukvrije slangen (canvas) dienen toegepast te worden. Dit alles ter bescherming
coureurs en medewerkers. Mits dit gebeurd moet je de radiateur voor onder de motorkap
verwijderen, tenzij je kan aantonen dat deze voor het watercircuit wordt gebruikt.
WATERBAK IS VERBODEN
42. Tank, radiateur, uitlaat, accu, olie-en waterslangen dienen goed dmv metaal of ander
degelijk matriaal afgeschermd te zijn t.o.v. de rijder.
43. Inhoud van de brandstoftank is maximaal 20 liter. Tank moet voorzien zijn van een goed
dichtende afsluitdop en goed bevestigd zijn met de ontluchting naar beneden. Een RVS
tank met een vuldop van het metalen schroefdraad type is verplicht. Vuldoppen mogen
niet buiten de wedstrijdwagen uitsteken. De brandstoftank dient deugdelijk te worden
gemonteerd.
44. De ontluchting dient boven op de tank te zitten en moet met een goedgekeurde
terugslagklepje of d.m.v. een ontluchtingsslang (ziebijlage 9 tek.C) door de vloer van de
wagen te gaan.
45. Een brandstofpomp mag zich nooit in het rijdercompartiment bevinden.
46. Alleen normale handelsbenzine en diesel als brandstof en water als koelmedium zijn
toegestaan.
47. Accu’s moeten bevestigd zijn met een degelijke metalen beugel of klem. De accu mag
verplaatst worden naar het rijdercompartiment, maar moet afgedekt worden door een
vloeistofdichte metalen of plastieken bak en deugdelijk bevestigd. En in geval van een
metalen bak dienen de accupolen goed afgeschermd te worden.
48. Benzine-en of remleidingen moeten van een hoogwaardig goedgekeurd materiaal zijn.
Leidingen van kunststof zonder metalen gevlochten omwikkelingen zijn verboden.
49. Injectie is toegestaan en verplaatsing van injectiekast binnen het chassis toegestaan.
50. Banden standaard wegbanden, M en S profiel of Rallybanden. Deze banden mogen
opgesneden worden MAXIMAAL10mm diep (profieldiepte). Geen blokken- of
noppenbanden. Reservebanden moeten aan dezelfde eisen voldoen als wedstrijdbanden.
51. Alle kunststof delen als bumpers, sierstrippen, spoilers en wieldoppen etc. alsmede glas
dient thuis te worden verwijderd.
52. Alle wedstrijdwagens moeten voorzien zijn van een degelijke bodemplaat op de
bestuurderszijde, binnen de rolkooi. Gaten [maximaal 5 cm doorsnee] voor afvoer van
water en modder zijn wel toegestaan.
53. De wedstrijdwagens moeten aan beide zijden zijn voorzien van duidelijke nummers op het
dak gemonteerd. Cijfers minimaal 25 cm hoog. Ook van VOREN moet het nummer GOED
ZICHTBAAR ZIJN. De kleur van het bord moet wit zijn en de cijfers zwart. Aan de voorkant
van het voorraam van de passagierszijde dient men een bordje te plaatsen van +/-10x10
cm met betrekking voor de startopstelling. Geen plastic vaatjes op dak maar een duidelijk (
40 cm x 40 cm ) bord.
54. TUSSEN DE MANCHES DIENEN DE NUMMERS SCHOONGEMAAKT TE WORDEN.
Algemene regels
Voor de algemene regels gelden het algemene reglement van de KNAF zoals dat
voorin het autosport jaarboek is opgenomen en het algemene reglement autocross zoals dat bij
de sectie autocross is opgenomen.De protestregeling op coureurs, auto s en op de uitslag zo
als opgenomen in het KNAF reglement, is voor de rodeoklasse niet van toepassing. De regels
hieronder zijn een verduidelijking of (in geval van tegenstrijdigheid) bepalend.
1. De coureur is ten alle tijden verantwoordelijk voor zijn monteur en zijn supporters c.q.
aanhang.
2. Indien een rijder, zijn monteur of aanhang zich op een dusdanige wijze
provocerend gedraagt, of lichamelijk geweld gebruikt t.o.v. medecoureurs, bestuur,
wedstrijdleiding, of medewerkers zal het bestuur genoodzaakt zijn, de rijder hiervoor te straffen
c.q. te schorsen.
3. Het gebruik van alcohol en/of drugs tijdens de wedstrijd is voor coureurs en monteurs ten
strengste verboden.
4. Men mag niet vooruit of achteruit in tegengestelde richting rijden. Indien men buiten de baan
is beland, mag men op dezelfde plaats ZONDER AFSNIJDEN weer op de baan te komen,
zonder anderen te hinderen of gevaar voor baancommissarissen.
5. Duwen mag in de rodeoklasse, ook in de zijkant. Behalve in de bestuurderszijde deur. Het
inrijden op stilstaande auto's is verboden (geen bangeraktie), hiervoor kunnen straffen worden
uitgedeeld.
6. Tijdens de rode vlag situatie mogen er geen wagens worden geruild, gerepareerd of worden
bijgevuld.
7. Zolang een deelnemer zich tijdens en na de wedstrijd in de auto op de baan
bevindt, is hij verplicht gordel,overal, helm en nekband te dragen en zich hiervan
pas weer in het rennerskwartier te ontdoen.
8. Bij pech op de baan dient men met helm op, op aanwijzing van een
baancommissaris onmiddellijk uit te stappen, reparaties verrichten tijdens een race is verboden.
9. Het verwisselen van rijders is op straffe van uitsluiting voor het gehele seizoen verboden.
10. Helmen van policarbonaat zijn niet toegestaan. Alleen helmen van het type BS 6658A of BS
6658 type A/FR of American Snell Foundation 2000 of 2005 en E22 05 van fiberglas
constructie zijn toegestaan.
11. Het is belangrijk dat de rijder goed in de helm past. De rijder moet de helm dragen en vast
hebben als hij de baan op rijdt, zodat de officials dit kunnen controleren.
12. Elke race moet de coureur zijn helm aan de keurmeester laten zien om er zeker van te zijn
dat deze aan de eisen voldoet. Als de helm in een niet toelaatbare toestand verkeerd dan kan
de keurmeester deze invorderen. Elke helm moet vervangen worden als deze door slijtage of
schade niet meer veilig is.
13. Het wordt afgeraden helmen zelf te schilderen. Laat dit aan de expert over zodat de
kwaliteit van de helm ten alle tijden behouden blijft.
14. Type/keuring stickers mogen niet verwijderd worden en moeten altijd duidelijk zichtbaar
zijn.
15. Elke rijder moet een met foam gevulde nekband dragen. Brandvertragende nekbanden zijn
ten zeerste aan te bevelen. De nekband moet met de sluiting in de richting worden gedragen
waar de fabrikant dat opgeeft.
16. Overalls moeten van een brandvertragend materiaal vervaardigd zijn en dient altijd
compleet schoon te zijn. Borduring en beplakking dienen ook van een
brandvertragend materiaal te zijn. Voor overalls en borduring wordt het Nomex
materiaal te zeerste aangeraden.
Het dragen van gecertificeerde brandvertragende onderkleding en sokken is aan te raden
tevens wordt aanbevolen brandvertragende handschoenen te dragen.
17. Om verwondingen aan de ogen te voorkomen is het verplicht een vizier of
veiligheidsbril van onbreekbaar materiaal te dragen.
18. De veiligheidsgordel moet minstens 4 puntsgordel zijn maar het liefs moet het een 5 punts
zijn, 2 schouder, 2 schootgordels en een kruisgordel. De veiligheidsgordels moeten op 5
montageplaatsen vastgezet worden, en met 5 punten vast te gespen zijn. Het is ten zeerste
aan te bevelen dat de gordels zorgvuldig uitgekozen worden, het is niet aan te bevelen om
haak/clip gordels te gebruiken. Als het haak/clip type in gebruik wordt genomen dan moet het
minstens 3,9 dikte hebben en van betrouwbaar bekend fabrikaat zijn.
NOTIE: Als je nieuwe gordels koopt of retaining clips en je weet de regels of aan te bevelen
gordels niet meer, koop dan de normaalste in deze soort. De stof van de gordels moet een
breedte hebben van minimaal 75 mm, behalve de kruisgordel welke een minimale breedte
moet hebben van 51 mm.
19. De gordels moeten bevestigd zijn aan het chassis of rolkooi niet aan de stoel. Dit dient te
gebeuren via goed vastgelaste beugels van tenminste 4 mm dikte en lengte van minimaal 50
mm. Aan te raden is om een dubbele set beugels aan te brengen. De houders moeten
geplaatst zijn in de hoek waarin de gordels om het lichaam van de coureur zitten (zie bijlage 7),
Als er bouten gebruikt zijn, moeten dat hoogspanning opvangende en minimum grootte hebben
van 10 mm, vastgemaakt met een moer (liefst NY-Loc type). R-type bevestigingen, D-links
sluiting en kettingen zijn verboden om gordels mee aan het chassis te bevestigen. De
schoudergordels moeten zo laag en zo dicht mogelijk in de buurt van de coureur achter de
stoel vastgemaakt zijn. Als de bestuurder in de auto zit en de schoudergordels om doet moeten
ze achter de stoel op schouderhoogte over een ronde pijp lopen naar beneden, dit om te
voorkomen dat de banden van de gordel aan de stoel trekken.
De pijp moet van een materiaal zijn van minimaal 25 mm (1/2”) O.D. met een
minimale dikte van 3 mm. Er moet goed opgelet worden dat de singelbanden van
de gordels niet aan de stoel of metalen delen van de auto schuurt. Voor overzicht van de
montage gordels en beugels (zie bijlage 8)
20. Bij elke bijeenkomst zal de veiligheidsgordel door de daarvoor aangestelde officiële
Keurmeester geïnspecteerd worden. De keurmeester mag de bestuurder vragen om in de auto
plaats te nemen om te kijken of de gordel goed functioneert en deugdelijk gemonteerd is. Als
volgens de keurmeester de veiligheidsgordel onveilig of gevaarlijk lijkt, kan hij de eigenaar
vragen om deze te vervangen.
Mochten de bevestigingen niet goed bevonden worden of gevaarlijk, zal de auto
niet kunnen deelnemen aan de race tot de gebreken verholpen zijn.
21. Het keuren gebeurt stuk voor stuk op de baan. Alleen de coureur mag met zijn auto
verschijnen. En dient de motorkap los te hebben.
22. Het is niet meer toegestaan om van auto's te ruilen en ook niet andere coureurs in jou auto
te laten rijden.
23. Het opkomen en verlaten van de baan en het rijden in het rennerskwartier geschiedt
stapvoets, dit is ongeveer 5 km. Altijd dient er ruimte voor andere auto’s en tractoren te worden
vrijgehouden
24. In het rennerskwartier dient iedere crossauto geheel op een dekzeil te staan met een
minimale afmeting van 2x4 meter.
25. Men dient 1 uur voor aanvang van de wedstrijd aanwezig te zijn voor evt. betaling,
inschrijving, keuring en loting.
26. Het aantal manches, ronden en de indeling daarvan worden op de wedstrijddag door de
wedstrijdleiding bekend gemaakt.
27. Indien een auto niet tijdig klaar is, mag men een manche later rijden, MITS
GEMELD BIJ DE JURYBUS, maar er dient wel achteraan te worden gestart.
28. Iedere deelnemer dient zich er van bewust te zijn dat met deze sport stoffen worden
gebruikt welke bij onzorgvuldig gebruik gevaar voor het milieu kunnen veroorzaken.
29. Brandbestrijding op het circuit geschiedt i.v.m. milieueisen alleen door
medewerkers van de NAC, welke daarvoor zijn geïnstrueerd. Iedere deelnemer
verplicht zich te houden aan het naleven van de milieueisen welke aan de NAC zijn opgelegd,
door het niet naleven van deze eisen loopt de deelnemer het risico te worden geschorst en
persoonlijk te worden aangesproken.
30. Uitspraken en aanwijzingen van de wedstrijdleiding en baancommissarissen zijn bindend
en dienen onverwijld te worden opgevolgd. Tegen beslissingen van de
wedstrijdleiding en jury mag niet worden geprotesteerd tijdens de cross. In
gevallen waarin het reglement niet voorziet, beslist het bestuur, waarbij uitspraken bindend zijn.
31. Betekenis van de wedstrijdvlaggen.
Zwart-wit geblokt – Start en Finish teken
Zwart - Direct baan verlaten, dit is het diskwalificatie teken
Rood - Onmiddellijk stoppen
Geel – Opstakel op de baan, tempo aanpassen.
32. Bij de inschrijving moet de coureur zijn rijbewijs en licentie kunnen overleggen.
33. COUREUR EN MONTEUR HEBBEN KENNIS GENOMEN VAN BOVENSTAANDE
REGLEMENTEN EN HEBBEN ZICH DOOR AAN DE WEDSTRIJD DEEL TE NEMEN VOOR
ACCOORD VERKLAARD.
|
|
|
 |
 |
|
|